2021 – Een Schots reisgezelschap bezoekt in 1817 de Vallei van de Zuidleie. Wat ze zagen…

‘Google Books’ heeft het nobel doel om oude boeken, die in bibliotheken over de hele wereld stof staan te vergaren, te digitaliseren en te ontsluiten voor het publiek en ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek.  Het auteursrecht is lang verlopen en ze behoren nu tot het publieke domein.

Het was heerlijk snuisteren en wegdromen in een boek gepubliceerd in 1823 in Edinburgh. Het verhaalt de observaties van een delegatie van de ‘Caledonian Horticultural Society’ (CHS) in het najaar van 1817 doorheen delen van Vlaanderen, Nederland en Noord-Frankrijk.  Britse reizigers waren niet welkom in Vlaanderen onder het bewind van Napoleon, maar in 1815 wordt Napoleon verdreven, en de Schotten beslissen om een ‘expeditie’ op te zetten naar het Europese continent om kennis te vergaren over de vorderingen in de landbouw, tuinbouw en botanische tuincultuur. Nieuwe variëteiten fruit en groenten of verbeterde zaadoogst- en teelttechnieken konden immers ook interessant zijn om in Schotland te introduceren. Maar reeds in het voorwoord geeft de auteur Patrick Neill, Secretaris van de CHS, zijn conclusie weg: “De waarheid is dat onze Schotse stijl van tuinieren in het algemeen superieur is in vergelijking met wat we zagen op het continent. Het mag misschien zo zijn dat we onze horticultuur oorspronkelijk overnamen van de Vlamingen en de Hollanders, maar het lijkt zeker dat we hen op diverse vlakken ondertussen hebben overstegen”.  Tot zover Britse bescheidenheid.

Voor ons bevat het 574 pagina’s dikke boek een schat aan gegevens hoe in het begin van de 19e eeuw aan landbouw werd gedaan, welke gewassen en fruitsoorten gekweekt en op de markten verhandeld werden en hoe de (kasteel)tuinen er uit zagen. Het boek leest als een dagboek, met dag per dag, de plaatsen die ze bezochten en hun observaties, waarbij ze ook oog hadden voor de wilde flora en adventieven in het landschap.  In wat volgt, lees je een paar uittreksels uit het verslag van hun tocht op 10-13 augustus 1817.

Op 10 augustus komen ze met de boot toe in Oostende. Ze bezoeken de stadsvesten, de groentenmarkt en Fort Wellington. In de namiddag van 11 augustus nemen ze de ‘barge’ op het kanaal naar Brugge, voortgetrokken door 2 paarden.  Het kanaal is tussen 25 en 30m breed met oevers in uitstekende staat, verstevigd met palen en vlechtwerk van wilgen en elzen. In de velden langs het kanaal noteren ze vooral rogge, tarwe, gerst, vlas, bonen en boekweit. Ze verbazen er zich over dat boekweit in Vlaanderen voor menselijke consumptie wordt gebruikt en niet aan de kippen wordt gevoerd zoals in Schotland. Knotwilgen en elzenhakhout zijn algemeen in het landschap. Bij het naderen van Brugge is het kanaal afgeboord met indrukwekkende olmen.

Op 12 augustus bezoeken ze Brugge en directe omgeving. Ze noteren de vele platanen in de stad en wel 15m hoge notelaars. Ze besteden een aparte paragraaf aan de kweek van cichorei in vrijwel elke moestuin van de huizen rondom Brugge en soms hectares in de velden. Ze noteren de voor hen nieuwe informatie: de lentebladeren werden gegeten als sla, de zomerbladeren werden gevoederd aan de koeien, de wortels werden gekookt en gegeten samen met aardappelen en, geroosterd en gemalen, was het een vervanging van of toevoegsel bij koffie. ’s Avonds maken ze een wandeling door de velden, vermoedelijk in de rand van het meersengebied ten zuiden van het Minnewater. Ze beschrijven productieve hooiweiden van ruw beemdgras en veldbeemgras, soms met dichte pollen rood cypergras (pers. noot: zou het kunnen dat ze hier verwarren met grote zegges?). Een aparte paragraaf wordt gewijd aan de ‘Meersche klaveren’ of rode klaver waar Vlaanderen als exporteur van klaverzaad blijkbaar voor bekend staat. De klaver zorgt hier voor wel tot drie maaisnedes per jaar van 25-30 cm hoogte. En de productiviteit wordt nog verhoogd door aanvoer van ‘Dutch ashes’, speciale meststof aangevoerd met schepen vanuit Rotterdam. De dikke klaverhoofdjes worden voor zaad geoogst met speciale harken en geëxporteerd. Het valt hen op dat in bijna alle sloten o.a. kalmoes, waterviolier en kikkerbeet abundant zijn. Een laatste observatie vanuit Brugge is dat hout de algemene brandstof is, maar dat het zo duur is geworden dat de gewone mensen ook hun toevlucht zoeken naar alternatieven, zoals stengels van spruitkool en bloeistengels van kolen en rapen die daartoe zorgvuldig gedroogd worden.

De Barge aan de Katelijnepoort in Brugge vertrekt richting Gent. Schilderij Jan Beerblock -18de eeuw.

In de morgen van 13 augustus begint het gezelschap haar tocht naar Gent, via ‘een ander mooi kanaal’, met een tweemaster of barge, voorzien van ‘alle nodige accommodatie’. Het dek, beschaduwd door een luifel, werd meteen door de Schotten ingenomen. De scheepshut zelf was tjokvol Vlaamse families die zich later niet geneerden om zich met de buitenlanders te mengen. Het voorste deel van het schip was uitgebaat als keuken en om 14u ’s middags werd daar het diner geserveerd in ‘excellent style’. Het dessert was er zelfs te veel aan, ook al bestond het maar uit krieken op siroop.  En dan volgt de beschrijving waarop je wacht na het lezen van de titel:

witte waterlelie, gele plomp en watergentiaan zijn extreem algemeen in het kanaal en staan prachtig in bloei. Door de waterverplaatsing van de boot krullen en duiken de brede drijvende bladeren op bevallige wijze steeds weer boven en onder water. Het water is onwaarschijnlijk helder voor een bevaarbaar kanaal en vissen, blijkbaar karper, kunnen frequent geobserveerd worden. De oevers van het kanaal zijn gedecoreerd met een spectaculair palet van planten, vooral kattenstaart en zwanenbloem. Bij een blik over de velden, zien we dat rogge reeds gesneden was, de oogst van gerst bezig was en tarwe bijna rijp was voor de oogst. Haver was nog groen. Naarmate we verder vaarden, werden de oevers van het kanaal geleidelijk hoger; rijen van abelen (‘Populus tremula’) (pers. noot: mogelijk wordt trilpopulier hier verward met grauwe abeel?) waren algemeen en we passeerden uitgestrekte hakhoutbestanden van eik, berk en els. Uiteindelijk werden de oevers zo hoog dat we voor een uur enkel nog zicht hadden op het kanaal. We genoten van het vista-uitzicht van de verschillende torens van de oude stad die we naderden: Gent.

Zo moeten de water- en oevervegetaties van het kanaal er in de 19e eeuw hebben uitgezien: boordevol drijvende en ondergedoken waterplanten, waaronder watergentiaan (gele bloemen).

Terug naar vandaag. Voor wie het huidige kanaal tussen Brugge en Beernem een beetje kent, is deze beschrijving van 200 jaar geleden toch even naar adem happen.  Wat een enorme biodiversiteit en goede milieukwaliteit was in dit landschap toen nog aanwezig!?  Een paar puzzelstukjes in de geschiedenis van het landschap langs het kanaal vallen ook mooi op hun plaats.  We weten dat omstreeks 1850 het kanaal verdiept en mogelijk ook verbreed is tot op zijn huidige profiel. Daarbij werd alle baggerspecie uit het kanaal op de aangrenzende valleigronden gedeponeerd. Een deel van het laagveenmoeras van de ‘Leiemeersen’ werd opgehoogd. In de periode 2001-2003 werden deze opgehoogde delen terug afgegraven tot op hun oorspronkelijke hoogte. Plaatselijk werden ook poelen gecreëerd. Wat meteen opviel was de snelle spontane vestiging van bijzondere waterplanten, zoals witte waterlelie, glanzig fonteinkruid, drijvend fonteinkruid, pijlkruid, loos blaasjeskruid, mattenbies, kranswieren en zelfs één plant krabbenscheer. Van al die soorten was nog kiemkrachtig zaad in de baggerspecie aanwezig uit de tijd van onze Schotse expeditie. Gele plomp en Zwanenbloem zijn nooit verdwenen uit het gebied en in Leiemeersen-Noord is kikkerbeet na natuurherstelwerken terug gekeerd. Enkel van watergentiaan is tot op heden geen spoor meer te bekennen en ondertussen is krabbenscheer ook weer verdwenen. Helaas heeft de aquatische fauna uit 1817 geen zaadbank achter gelaten, maar in de Leiemeersen vinden we in molshopen nog veel subfossiel materiaal van schelpen en mollusken die bij die uitstekende waterkwaliteit van weleer horen.  De bijzonderste soorten zijn schildersmossel, zoetwaterneriet, levendbarende moerasslak en rivierhoornschaal. Tegenwoordig zijn het in Vlaanderen allemaal uiterst tot extreem zeldzame soorten. Helaas blijft het voorlopig bij dromen van diep en kraakhelder water in onze West-Vlaamse waterlopen, zoals onze Schotten het in 1817 beleefden.

Witte waterlelie, glanzig fonteinkruid en drijvend fonteinkruid in de Leiemeersen.
In molshopen duikt in de Leiemeersen sporadisch nog subfossiel schelpmateriaal op met v.l.n.r. schildersmossel, levendbarende moerasslak en driehoeksmossel.
Zoetwaterneriet: een prachtig zoetwaterslakje van zuurstofrijk helder water dat nu erg zeldzaam is in Vlaanderen

Share with: